Kaneel
Beschrijving: Kleine boom, tot 15 m hoog. Bast met sterke kaneelgeur. Jonge twijgen geelgroen. Bladeren tegenoverstaand, leerachtig, aromatisch 7-18 cm lang; voet stomp; punt spits; nervatuur handvormig, geelgroen. Bloeiwijze een okselstandige pluim. Bloemen 6-tallig, groen, met typische geur; kelk en kroon ontbrekend; meeldraden met 4 klepjes openspringend. Bes paars, 1 cm lang, kapje groen.
Bron: Medicinale en rituele planten van Suriname Tinde van Andel en Sofie Ruysschaert
Medicinaal gebruik
Gebruik: De geurige bast van de kaneelboom werd 4000 jaar geleden al verhandeld in het oude Egypte. Het is niet bekend of de Hindostaanse contractarbeiders de boom naar Suriname hebben meegenomen. Er staan nog een aantal kaneelbomen in het land aangeplant, maar de meeste kaneelbast en -poeder die in kruidenmedicijnen verwerkt wordt is geïmporteerd uit Azië. De opgerolde bast bevat een aromatische olie met een zoete, kruidige geur en wordt als specerij bij het eten gebruikt, maar komt ook in traditionele geneesmiddelen terecht. Een pijpje kaneel wordt vaak toegevoegd bij aftreksels (van andere planten) tegen hoest en verkoudheid (May, 1982). Oudere Hindostanen en Javanen malen kaneelbast fijn en rollen het met stukjes betelnoot (Areca catechu), kruidnagel en limoen in een paanblad Cinnamomum verum. Illustratie: F. Köhler. (Piper betle). Dit pakketje wordt gekauwd als betelpruim, of opgelost in water en gedronken tegen urinewegproblemen. Ook koken Hindostanen kaneelbast met een eetlepel ghee (geklaarde boter) in water en nemen het in om de weeën op te wekken als de bevalling niet op gang komt. Kaabey drank, een Surinaams kruidenmengsel voor de bloedzuivering en vochtbalans dat in Nederland op de markt wordt gebracht, bevat naast kaneelbast onder andere het kruid Phyllanthus amarus en de bast van de Braziliaanse boom Tabebuia avellanedae. Geïmporteerde kaneelbast wordt ook in Creoolse wintikruidenbaden gebruikt, zoals het uit veel verschillende specerijen vervaardigde spesre of hebi watra en het zoetgeurende kruidenbad voor Moeder Aarde (Sedoc, 1992: 150, 151).
Marrons verkopen in Paramaribo een naar kaneel geurende bast die ‘papa udu buba’ of ‘kaneri buba’ (kaneelbast) wordt genoemd. Volgens Frits van Troon en Dr. Pake betrof het een wilde boom van de Lauraceae familie die in de buurt van de bë wojo pasi in Brownsweg groeide. Inwoners van Brownsweg ontkenden dat de boom in hun omgeving groeide, maar hij zou wel in Boven-Suriname bij het dorp Gunsi te vinden zijn. Volgens Thomas Polimé komt deze soort ook langs de Boven Tapanahonirivier voor. Hoewel we de bast op de markt hebben verzameld (Lauraceae sp. TVA 4791) is het ons het niet gelukt de bijbehorende boom te vinden. Een aantal Lauraceae (Aniba spp., Licaria spp.) worden ‘kaneelhart’ of ‘kaneelpisi’ genoemd, maar hun geur vertoont niet direct gelijkenissen met die van kaneel. De bast zou echter ook van de geïntroduceerde Cinnamomum verum afkomstig kunnen zijn. Deze ‘kaneri buba’ wordt verwerkt in een kruidenbad voor papa-winti, met konsakawiwiri (Peperomia pellucida) op de bodem van de teil, en adru (knol van Cyperus prolixus), pawinti wiri (Justica pectoralis), weti swa wiri (Aciotis purpurascens, groene vorm), singafu (Costus spp.), malëmbë́lëmbë (Piper marginatum), gaman udu anu (P. aduncum), en kowru hati (Begonia glabra) bovenop.
Een baby (of volwassene) die ergens heel erg van geschrokken is wordt ook met een kruidenbad van (gekookte) kaneri buba gewassen. Het kruidenbad zou ook goed zijn voor je ziel (yeye).
Bron: Medicinale en rituele planten van Suriname Tinde van Andel en Sofie Ruysschaert
